• vrijdag 15 May 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Ontslag voltallige CBvS-Raad: regering tart grenzen van de Bankwet

Ontslag voltallige CBvS-Raad: regering tart grenzen van de Bankwet

| starnieuws | Door: Redactie

DNA-lid Cheryl Dijksteel
Met het plotselinge ontslag van de voltallige Raad van Commissarissen (RvC) van de Centrale Bank van Suriname heeft de regering opnieuw een principiële discussie geopend over de rechtsstatelijkheid van
bestuurlijk handelen in Suriname. Wat op het eerste gezicht gepresenteerd lijkt te worden als een reguliere bestuurswisseling, roept bij nadere beschouwing ernstige vragen op over de naleving van de Centrale Bankwet 2022, de onafhankelijkheid van toezichthoudende instituties en de omgang van de overheid met wettelijke procedures.

Volgens het regeringsbesluit,
dat terugwerkt tot 10 april 2026, werd de volledige RvC vervangen door een nieuwe raad. Opvallend daarbij is niet alleen de abrupte aard van het besluit, maar vooral het ontbreken van een publiek toegankelijke motivering waarom de zittende commissarissen moesten vertrekken. Daarmee lijkt de regering zich op glad juridisch ijs
te begeven.

De Centrale Bankwet 2022 laat weinig ruimte voor interpretatie over de benoeming en het ontslag van commissarissen. Artikel 5 bepaalt expliciet dat leden van de RvC worden benoemd voor een termijn van vijf jaar en slechts eenmaal herbenoembaar zijn. De betreffende raad trad pas in 2024 aan
en bevond zich dus nog midden in zijn wettelijke termijn. Dat gegeven alleen al maakt duidelijk dat een voortijdig collectief ontslag niet lichtvaardig kan plaatsvinden.

Nog problematischer is de toepassing van artikel 6 van dezelfde wet. Daarin staat helder omschreven onder welke omstandigheden een commissaris kan worden geschorst of
ontheven. Dat kan uitsluitend wanneer betrokkene niet langer voldoet aan de wettelijke vereisten of ernstig tekortschiet in de uitvoering van de functie. Bovendien vereist de wet dat een dergelijk besluit wordt genomen op voordracht van een meerderheid van de overige leden van de raad én de directie van de Centrale
Bank.

Precies daar wringt het. Hoe kan een volledige raad collectief worden ontslagen op voordracht van “de overige leden”, wanneer die overige leden er feitelijk niet meer zijn? Juridisch roept dit onmiddellijk de vraag op of artikel 6 überhaupt de mogelijkheid biedt om de gehele raad ineens te verwijderen.
De wetgever lijkt immers bewust gekozen te hebben voor een systeem waarbij individuele commissarissen kunnen worden aangepakt, en niet voor een politieke schoonmaakoperatie van het volledige toezichtsorgaan.

Daar komt nog bij dat de wet expliciet voorschrijft dat een besluit tot schorsing of ontheffing met redenen moet zijn omkleed en
dat de betrokken commissarissen vooraf gehoord moeten worden. Tot dusver heeft de regering geen concrete tekortkomingen, integriteitskwesties of beleidsfouten van de voormalige raad openbaar gemaakt. Evenmin is bekend of hoor en wederhoor daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het regeringsbesluit bevat slechts een standaardformulering waarin de ontslagen commissarissen worden bedankt voor hun bewezen
diensten.

Dat is onvoldoende. In een democratische rechtsstaat mag van de regering worden verwacht dat zij zware bestuurlijke ingrepen niet alleen wettelijk onderbouwt, maar ook publiek verantwoordt. Zeker wanneer het gaat om een instelling als de Centrale Bank, waarvan onafhankelijkheid en stabiliteit cruciaal zijn voor het financieel vertrouwen in
het land.

De kwestie krijgt bovendien een wrange politieke dimensie doordat één van de ontslagen commissarissen, Robbie Poetisi, onmiddellijk opnieuw is benoemd in de nieuwe raad. Dat roept de logische vraag op: als de voltallige raad werkelijk disfunctioneerde, waarom wordt één van dezelfde leden dan direct gehandhaafd? En als
er geen sprake was van disfunctioneren, op welke grond werd de rest dan verwijderd?

Dit soort inconsistenties voedt de perceptie dat het besluit eerder politiek dan institutioneel gemotiveerd is. Dat is gevaarlijk. Centrale banken functioneren immers niet alleen op basis van wettelijke bevoegdheden, maar ook op basis van vertrouwen
— vertrouwen van burgers, investeerders, internationale financiële instellingen en de markt. Wanneer de indruk ontstaat dat toezichthoudende organen naar politieke willekeur kunnen worden vervangen, tast dat de geloofwaardigheid van de institutionele architectuur aan.

Suriname draagt nog altijd de littekens van eerdere crises rond monetair beleid, valutabeheer en financieel toezicht.
Juist daarom werd de Centrale Bankwet aangescherpt: om politieke inmenging te beperken en transparante governance te versterken. Indien dezelfde wet nu selectief of creatief wordt geïnterpreteerd door de uitvoerende macht, dreigt de hervormingsagenda haar geloofwaardigheid te verliezen.

De regering doet er daarom verstandig aan volledige openheid van zaken te
geven. Op welke juridische basis is de voltallige raad ontslagen? Zijn de procedures van artikel 6 daadwerkelijk gevolgd? Zijn de betrokken commissarissen gehoord? Welke concrete feiten rechtvaardigden het voortijdig beëindigen van hun mandaat? Zonder duidelijke antwoorden blijft de indruk bestaan dat de wet niet als bindend kader wordt beschouwd, maar
als een instrument dat naar politieke opportuniteit kan worden gebogen.

De kern van de kwestie is uiteindelijk groter dan de namen van individuele commissarissen. Het gaat om de fundamentele vraag of wettelijke waarborgen in Suriname daadwerkelijk betekenis hebben wanneer zij de overheid beperken. Een rechtsstaat wordt immers niet getest
wanneer de wet politiek goed uitkomt, maar juist wanneer wettelijke procedures ongemakkelijk of beperkend zijn voor de machthebbers van het moment.

Men vraagt zich af waarom een ex-governor en twee ex-ministers hieraan meewerken. De wet beschermt immers ook de governor tegen politieke willekeur. Is dit misschien een testcase om
straks ook de governor de laan uit te sturen?

Als de regering zonder transparante motivering en zonder zichtbaar respect voor de procedure een voltallig toezichtsorgaan van de Centrale Bank kan vervangen, dan moet de samenleving zich ernstig afvragen welke institutionele bescherming nog werkelijk overeind staat.

Cheryl Dijksteel
Lid
van De Nationale Assemblée (VHP)

| starnieuws | Door: Redactie