
Suriname veroordeeld door CCJ in Original Jurisdiction-zaak Ramsamooj
| chronostimes | Door: Redactie
Op maandag 25 mei 2026 heeft het Caribbean Court of Justice (CCJ), zitting houdend in zijn Original Jurisdiction, uitspraak gedaan in de zaak Derek Anand Ramsamooj v The State of Suriname. Het Hof oordeelde dat Suriname het verdragrecht op vrij verkeer heeft geschonden van de Trinidadiaanse staatsburger Derek Anand Ramsamooj door hem tijdens voorlopige hechtenis geen directe toegang tot een advocaat te verlenen onder beperkingsmaatregelen (beperking) op grond van artikel 40 lid 2 van het Surinaamse Wetboek van Strafvordering.
Het CCJ kende Ramsamooj een schadevergoeding toe van USD 30.000 wegens de vastgestelde schending van zijn rechten.
Wat het Hof heeft vastgesteld
Het Hof stelde onder meer vast dat CARICOM-nationals recht hebben op een minimumstandaard van mensenrechtelijke bescherming bij de uitoefening van hun rechten onder het Revised Treaty of Chaguaramas (RTC). Daaronder valt ook het recht op toegang tot een advocaat wanneer iemand wordt verdacht van strafbare feiten.
Volgens het CCJ heeft de toepassing van het Surinaamse beperkingsmechanisme op Ramsamooj, waarbij hem tijdens de onderzoeks- en detentiefase de toegang tot een advocaat werd ontzegd, zijn recht op vrij verkeer onder het RTC onrechtmatig beperkt.
Het Hof oordeelde verder dat Ramsamooj niet hoefde aan te tonen dat er sprake was van discriminatie op basis van nationaliteit onder artikel 7 van het RTC, omdat reeds een schending van de minimum mensenrechtenstandaard was vastgesteld.
Daarnaast kon Suriname zich volgens het CCJ niet beroepen op artikel 226 lid 1 sub a van het RTC om een nationale wet te rechtvaardigen die onder deze minimumstandaard lag.
Het Hof kende schadevergoeding toe voor de ernstige emotionele en fysieke schade die Ramsamooj had geleden als gevolg van de schending van zijn rechten onder het RTC.
Vertegenwoordiging van de Staat Suriname
Namens de Staat Suriname en het Openbaar Ministerie trad op Romeo Krishnadath Rampersad, aanvankelijk als plaatsvervangend officier van justitie en later als officier van justitie.
Hij stelde dat de aanhouding, het onderzoek en de opgelegde beperkingen rechtmatig waren. Volgens hem bestonden er sterke verdenkingen van onder meer fraude, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, en was de toepassing van artikel 40 lid 2 noodzakelijk om het onderzoek niet te verstoren. Daarnaast verklaarde hij dat Ramsamooj tijdens verhoren bekentenissen zou hebben afgelegd, dat er sprake was van juridische vertegenwoordiging, en dat de maatregelen volgens hem rechtmatig waren en reeds door nationale rechtbanken waren getoetst.
Redactie Chronos| chronostimes | Door: Redactie

































