• zaterdag 12 September 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Climbing Creek - de stille ramp (slot)

Climbing Creek - de stille ramp (slot)

| starnieuws | Door: Redactie

De kamp bij nacht waar de mannen 20 dagen hebben doorgebracht.

Er zijn van die plekken waar je komt en die je daarna nooit meer loslaten. Climbing Creek is er zo een. Een moeras in Nickerie, Suriname, dat langzaam vergiftigd wordt door zeewater. Niet door de natuur. Door een kanaal dat iemand ooit heeft laten graven.

Ik maakte de tocht erheen. Samen met een handvol militairen die proberen te herstellen wat anderen hebben stukgemaakt. Wat ik zag, wilde ik opschrijven. Niet

omdat het mooi is. Omdat het verteld moet worden.


De ravage en het herstel

Vanuit het kamp is al duidelijk de ravage van het wegtrekken van het water uit het moeras te zien. Veel gebieden zijn droog. Bij vloed komen wat plekken onder water te staan, waar de vogels dan naar toe getrokken worden in de hoop nog een visje, garnaaltje of krabje te vinden. De mannen beginnen de plantjes die zich nog nabij het kamp bevinden langs de oevers in de grond te zetten. Ze weten precies dat ze net iets boven de waterlijn moeten zijn. Ze zakken tot boven hun knie in de modder, moeten elkaar eruit trekken, maar dat weerhoudt ze er niet van de job te klaren. 


Steeds meer bomen en vegetatie wordt vergiftigd door het binnenkomende zoute zeewater.

Terwijl gelach klinkt vanuit het kanaal, is de 'kok' bezig te koken. Geen groente. Masala kip. We mochten mee

lunchen, rijst met bokking. Wat de mannen hier presteren is met geen pen te beschrijven. Uiteindelijk zal als de plantjes het overleven, hier een jaar tot drie jaar later een mangrovebos ontstaan dat het water in het moeras zal houden. De kanaal zal dichtgroeien en dichtslibben. We hebben het al elders gezien waar soortgelijke projecten aan de Nickeriaanse kust zijn uitgevoerd.



Het ironische van het verhaal is dat iemand op een goeie dag besluit een kanaal te graven, waardoor een ecologische ramp ontstaat en dat niemand daarover iets zegt. Het zijn deze mannen, echt een handvol, die met doorzetting, kracht en vooral geloof tonen dat het kan en dat ze het doen voor het groter doel. Want wie ziet hoeveel ze moeten doorstaan, hoeveel ze niet opofferen. Dat verhaal wordt niet verteld.


Wachten op het tij

In hangmatten boven de dode vegetatie zoeken de mannen wat verademing tegen de brandende zon.

Als de zon wat lager staat besluiten ze de bootmotoren te checken. Lang verhaal kort, van de drie motoren zijn twee stuk. Een deel van de propeller is kapot, van de ander is er iets met de motor. Besloten wordt om de twee motoren met ons mee terug te sturen zodat ze kunnen worden gerepareerd. Alles wat met ons mee moet op de terugweg wordt bij elkaar gezet. Twaalf lege watercontainers, lege benzinetanks en natuurlijk de motoren.


Van de Climbing Creek op de dam en daarna in het irrigatiekanaal. De standaard procedure zowel bij dag als nacht.
De avond valt in, het tij moet keren tegen negen uur in de nacht. Er wordt een kampvuur gemaakt, wat direct horzels - die venijnige kawfreys - en dikke zwarte muskieten aantrekt. Overal waar we zitten wordt muskietenkaars neergezet. Zittend op de oever van het kanaal, wachtend op het getij, delen de mannen hun
ervaringen, de problemen en het verlangen om weer bij hun jong gezin te zijn. Ze tellen de dagen. Nog twee te gaan. Ze zullen er alles aan doen om de resterende plantjes in die twee dagen in de grond te krijgen. De afspraak is om de volgende ochtend om zeven uur aan de kust te zijn en te beginnen. De kok blijft in het kamp, de rest gaan in een boot naar de bestemde plek, zo'n drie tot vijf kilometer verder.

De boot in het kanaal komt los. De mannen haasten zich om de boot vast te leggen. Dan begint het laden van de boot. Op het kampvuur en een lampje dat in de kamp brandt, is het inktzwart. Het levert een mooie sterrenhemel op.


De terugtocht in het donker

Voor het instappen in de boot worden we ingepakt. Alleen de ogen zijn te zien, elk stukje huid is bedekt.

De boot wordt gekeerd en we zijn onderweg terug. We krijgen nog een brandende muskietenkaars in de hand gedrukt. De 25 pk op de boot is te groot, dus is het opnieuw manoeuvreren. Dit keer is het pikdonker. Al na enkele minuten snappen we de muskietenkaars. Honderden kleine vliegjes, muskieten en andere insecten die ik niet bij naam ken, zwermen rond ons heen. In de koplamp van de bootsman zijn glinsterende ogen te zien, hij verplaatst zijn lamp naar die ogen. Aan weerszijden krokodillen die afkomen op het vis dat zich in het kanaal bevindt. Er is geen angst, alleen ontzag van wat zich om ons heen afspeelt. Boven een zwarte hemel doorspekt met sterren. De maan laat zich niet zien. Aan de oevers die glinsterende ogen, in het kanaal de springende vissen. Menigmaal moeten we een kleine trapoen weer overboord gooien.


Deze zagen we nog bij klaarlichte dag.
Meter
voor meter baant de boot zich een weg door het kanaal. De kunst voor de inzittenden is om niet gestoken te worden door insecten. Voor de rest genieten we van de avontuurlijke tocht. De tel van de krokodillen zijn we kwijt. Van sommige zien we alleen de kop in het water en kunnen we een schatting maken hoe groot het zou kunnen zijn. Andere laten zich op de oevers zien met hun glimmende bruin/zwarte huid.

We zijn zo gefocust op onze omgeving dat we vergeten te kletsen. Maar dat is goed, het geronk van de motor mengt zich met het geluid van de nachtvogels, het geplons van de vissen, het geritsel van het riet en het geruis van het water. Tegen de tijd dat we bij de dam komen, trekt het water zich al terug. Voor de twee mannen die straks weer naar het kamp moeten, dringt de tijd. We

krijgen een andere muskietenkaars in de hand gedrukt. De eerste is opgebrand. Twee uur later naderen we de dam, de drie mannen springen weer in de modder en duwen en trekken de boot met veel moeite meter voor meter naar de dam. De boot is immers zwaar beladen. In de modder spartelen vissen, blij met het beetje water dat ze hebben. Dat zien we ook in de koplamp van de bootsman, het enige licht dat is toegestaan.



Met nog de laatste krachten wordt de boot over de dam getrokken en in het kanaal geduwd. Deze boot zal ons ook door het irrigatiekanaal brengen tot naar de weg. In het kanaal lijkt het alsof de bootsman de teugels laat vieren. De boot vliegt door het kanaal. Het water in het kanaal is lekker warm. Een vis springt in de boot. Een handgrote makka sriba. Ik gooi hem weer in het
kanaal. Om ons heen zijn de zwarte silhouetten te zien van de droge bomen en de vegetatie. Niet sinister, maar prachtig. Het is echt enkele minuten voor middernacht als we aanleggen en de boot ontladen. Dat gebeurt snel, want de mannen moeten opnieuw door het kanaal naar het kamp. Nu alleen met zijn tweeën. Het scheelt natuurlijk dat de boot nu ontdaan is van alle lading, maar het blijft een karwei om de boot over de dam te trekken, door de modder heen in de kanaal waar het diep genoeg is om de motor aan te zetten.

We zwaaien de mannen uit, al gauw is alleen het geronk van de motor te horen en een schimmige lichtstraal van de koplamp. Dan valt het stil. We stappen in de wachtende auto, klaar voor de rit naar Nieuw Nickerie.

Opnieuw in het donker, want grote delen van de weg hebben

geen straatverlichting. Waarom is toch niemand op het idee gekomen om straatverlichting te plaatsen over dit gedeelte van de oost-westverbinding, vraag ik mij hardop af. De vermoeidheid en de gevolgen van de hitte beginnen in te slaan. Het is drie uur in de ochtend als ik na een verkwikkende douche in bed stap met beelden op mijn netvlies die ik zal blijven meedragen.


Slotnoot

Ik ben terug in Nieuw Nickerie. De douche heeft de modder weggespoeld, maar niet de beelden. De stervende vis. De militair die zong in de modder. De twaalfduizend mangroveplantjes die wachten op water dat niet komt.

Of het project slaagt, weet ik niet. Dat hangt af van het water, van het weer, van mensen die erin blijven geloven. Maar wat ik wel weet: deze mannen doen het. Zonder publiek. Zonder dankwoord. Terwijl het kanaal er nog steeds ligt, en niemand er iets over zegt.



Als
je ooit in de buurt komt van Climbing Creek, denk dan aan hen. Aan wat ze daar doen, in de brandende zon, tot hun knieën in de modder. Voor een bos dat er misschien pas over drie jaar is.

En aan wat er had kunnen zijn, als iemand niet op dat briljante idee was gekomen.


Indra Toelsie


| starnieuws | Door: Redactie