HomeNet Binnen | Opmerkelijk | Economie | OIL & GAS |

Suriname heeft wel een wettelijke regeling voor ‘fiscale ringfencing’ bij O&G-contractors
| starnieuws | Door: Redactie
Roy Shyamnarain Op 17 juli 2026 verscheen onder de titel ‘Het contract waarop Surinames olietijdperk rust’ een opiniestuk waarin Siegfried G. Kenswil LLM onder andere het door hem geschreven boek The Surinamese Production Sharing Contract beschrijft. Op zich is het een zeer lezenswaardig artikel, maar een bepaalde passage daaruit verdient naar mijn mening toch enige nuancering. Dit om te voorkomen dat hetgeen daarin wordt gesteld een eigen leven gaat leiden en aanleiding kan geven tot onnodige discussies tussen de overheid (lees: de
Het gaat met name om de passage waarin Kenswil, met verwijzing naar zijn bovengenoemde boek, stelt: “Precies daar raakt het boek de actualiteit. Het laat zien dat de ring fence in het PSC een contractueel cost-recoverymechanisme is en dat een fiscale ring fence, die de aftrek per veld of contract zou begrenzen, in de huidige belastingwetgeving niet bestaat (onderstreping van RS). Wie die wil invoeren, heeft de wetgever nodig en kan bestaande contracten daarbij niet met terugwerkende kracht raken, zonder de rechtszekerheid en de stabilisatiegaranties van de Staat zelf te schenden.”
Uit het artikel valt niet direct af te leiden waarop Kenswil zijn mening baseert dat de Surinaamse belastingwetgeving geen fiscale ringfencing kent. De betreffende passage kan echter bij de lezer allicht de indruk wekken dat Suriname geen wettelijke regeling kent voor de toepassing van ringfencing bij de heffing van
Niets is echter minder waar. Suriname heeft wel degelijk een wettelijke regeling hiervoor. Die regeling vindt haar oorsprong in artikel 19 van de Petroleumwet 1990 (Petroleumwet).
Artikel 19 Petroleumwet
Dit artikel bepaalt dat de contractor voor het uitvoeren van werkzaamheden die voortvloeien uit een petroleumovereenkomst (PSC) in Suriname verplicht is een kantoor te houden (lid 1) en dat dit kantoor conform de wettelijke regels moet worden geregistreerd (lid 2). Uit artikel 11 van de Petroleumwet volgt voorts dat deze verplichting van de contractor (tezamen met andere verplichtingen) geldt voor elke petroleumovereenkomst die door hem wordt aangegaan.
Als consequentie van hetgeen artikel 19 van de Petroleumwet voorschrijft, moet een contractor dus voor elke petroleumovereenkomst die hij in Suriname aangaat, een afzonderlijk kantoor houden.
Doorwerking van artikel 19 Petroleumwet voor de belastingheffing
Het bedoelde kantoor van de (buitenlandse) contractor kan verschillende juridische vormen hebben. Doorgaans
Het nakomen van de uit artikel 19 van de Petroleumwet voortvloeiende verplichting van de contractor heeft dus ook gevolgen voor de belastingheffing van de contractor in Suriname. Afhankelijk van de juridische vorm waarin het kantoor is gestructureerd, wordt hij voor de heffing van inkomstenbelasting aangemerkt als buitenlands belastingplichtige (filiaal) of als binnenlands belastingplichtige (dochtermaatschappij).
Aangezien een petroleumovereenkomst betrekking heeft op een bepaald, wettelijk afgebakend gebied (block), is de consequentie hiervan dat de heffing van inkomstenbelasting ook voor
Fiscale ringfencing in de model-PSC
Contractors zijn zich bewust van de hierboven omschreven fiscale doorwerking van ringfencing. Dat blijkt uit artikel 19.2.1 van de model-PSC. Daarin wordt aangegeven welke opbrengsten en kosten in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het belastbare bedrag waarover de contractor inkomstenbelasting verschuldigd is.
Voor wat betreft de in aanmerking te nemen kosten gaat het om uitgaven die in aanmerking komen voor cost recovery (productie-, ontwikkelings- en exploratiekosten) en andere kosten die niet voor cost recovery in aanmerking komen, voor zover deze verband houden met of voortvloeien uit
Door ondertekening van een PSC waarin deze bepaling voorkomt, verbindt de contractor zich ertoe zich ook daaraan te houden.
Conclusie
Ik hoop dat met het bovenstaande voldoende duidelijk is gemaakt dat het toepassen van fiscale ringfencing ten aanzien van O&G-contractors in Suriname wel degelijk een wettelijke grondslag heeft. Als de Belastingdienst dus ringfencing toepast bij de heffing van inkomstenbelasting van O&G-contractors, dan heeft zij de wetgever daarvoor niet (nog eens) nodig. Zij breekt daarmee ook geen bestaande contracten open en schendt evenmin de rechtszekerheid en de door de Staat gegeven stabilisatiegaranties in Staatsbesluit S.B. 2018 no. 52.
Roy Shyamnarain
Fiscalist en juridisch adviseur te Paramaribo
Belastingdienst) en belanghebbenden (lees: O&G-contractors en hun adviseurs).
Het gaat met name om de passage waarin Kenswil, met verwijzing naar zijn bovengenoemde boek, stelt: “Precies daar raakt het boek de actualiteit. Het laat zien dat de ring fence in het PSC een contractueel cost-recoverymechanisme is en dat een fiscale ring fence, die de aftrek per veld of contract zou begrenzen, in de huidige belastingwetgeving niet bestaat (onderstreping van RS). Wie die wil invoeren, heeft de wetgever nodig en kan bestaande contracten daarbij niet met terugwerkende kracht raken, zonder de rechtszekerheid en de stabilisatiegaranties van de Staat zelf te schenden.”
Uit het artikel valt niet direct af te leiden waarop Kenswil zijn mening baseert dat de Surinaamse belastingwetgeving geen fiscale ringfencing kent. De betreffende passage kan echter bij de lezer allicht de indruk wekken dat Suriname geen wettelijke regeling kent voor de toepassing van ringfencing bij de heffing van
inkomstenbelasting van O&G-contractors.
Niets is echter minder waar. Suriname heeft wel degelijk een wettelijke regeling hiervoor. Die regeling vindt haar oorsprong in artikel 19 van de Petroleumwet 1990 (Petroleumwet).
Artikel 19 Petroleumwet
Dit artikel bepaalt dat de contractor voor het uitvoeren van werkzaamheden die voortvloeien uit een petroleumovereenkomst (PSC) in Suriname verplicht is een kantoor te houden (lid 1) en dat dit kantoor conform de wettelijke regels moet worden geregistreerd (lid 2). Uit artikel 11 van de Petroleumwet volgt voorts dat deze verplichting van de contractor (tezamen met andere verplichtingen) geldt voor elke petroleumovereenkomst die door hem wordt aangegaan.
Als consequentie van hetgeen artikel 19 van de Petroleumwet voorschrijft, moet een contractor dus voor elke petroleumovereenkomst die hij in Suriname aangaat, een afzonderlijk kantoor houden.
Doorwerking van artikel 19 Petroleumwet voor de belastingheffing
Het bedoelde kantoor van de (buitenlandse) contractor kan verschillende juridische vormen hebben. Doorgaans
wordt het kantoor gestructureerd als een lokaal filiaal, maar het kan ook als een lokale dochtermaatschappij worden opgezet. Het filiaal of de dochtermaatschappij dient conform artikel 19, lid 2, van de Petroleumwet overeenkomstig de wettelijke bepalingen te worden geregistreerd, hetgeen inhoudt registratie bij de KKF en vervolgens als belastingplichtige bij de Belastingdienst. Een filiaal van een buitenlandse onderneming kwalificeert voor de heffing van de Surinaamse inkomstenbelasting immers als een vaste inrichting.
Het nakomen van de uit artikel 19 van de Petroleumwet voortvloeiende verplichting van de contractor heeft dus ook gevolgen voor de belastingheffing van de contractor in Suriname. Afhankelijk van de juridische vorm waarin het kantoor is gestructureerd, wordt hij voor de heffing van inkomstenbelasting aangemerkt als buitenlands belastingplichtige (filiaal) of als binnenlands belastingplichtige (dochtermaatschappij).
Aangezien een petroleumovereenkomst betrekking heeft op een bepaald, wettelijk afgebakend gebied (block), is de consequentie hiervan dat de heffing van inkomstenbelasting ook voor
elk block afzonderlijk dient plaats te vinden. Daarmee wordt bereikt dat kosten die betrekking hebben op het ene block, niet zonder meer ten laste van opbrengsten van een ander block kunnen worden gebracht. Met deze voorziening in de Petroleumwet heeft de wetgever er dus voor gezorgd dat ringfencing doorwerkt in de fiscale behandeling van O&G-contractors.
Fiscale ringfencing in de model-PSC
Contractors zijn zich bewust van de hierboven omschreven fiscale doorwerking van ringfencing. Dat blijkt uit artikel 19.2.1 van de model-PSC. Daarin wordt aangegeven welke opbrengsten en kosten in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van het belastbare bedrag waarover de contractor inkomstenbelasting verschuldigd is.
Voor wat betreft de in aanmerking te nemen kosten gaat het om uitgaven die in aanmerking komen voor cost recovery (productie-, ontwikkelings- en exploratiekosten) en andere kosten die niet voor cost recovery in aanmerking komen, voor zover deze verband houden met of voortvloeien uit
het contract (PSC) voor het betreffende block.
Door ondertekening van een PSC waarin deze bepaling voorkomt, verbindt de contractor zich ertoe zich ook daaraan te houden.
Conclusie
Ik hoop dat met het bovenstaande voldoende duidelijk is gemaakt dat het toepassen van fiscale ringfencing ten aanzien van O&G-contractors in Suriname wel degelijk een wettelijke grondslag heeft. Als de Belastingdienst dus ringfencing toepast bij de heffing van inkomstenbelasting van O&G-contractors, dan heeft zij de wetgever daarvoor niet (nog eens) nodig. Zij breekt daarmee ook geen bestaande contracten open en schendt evenmin de rechtszekerheid en de door de Staat gegeven stabilisatiegaranties in Staatsbesluit S.B. 2018 no. 52.
Roy Shyamnarain
Fiscalist en juridisch adviseur te Paramaribo
| starnieuws | Door: Redactie



































