• woensdag 12 August 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Positie DNA-voorzitter onder druk: constitutionele toetsing van Adhin’s verdaging van DNA-vergadering

Positie DNA-voorzitter onder druk: constitutionele toetsing van Adhin’s verdaging van DNA-vergadering

| surinamevandaag | Door: Redactie

(Door K. Ramdhan) – De verontwaardiging over de buiten de Nationale Assemblée (DNA) gedane uitspraak van DNA-lid Cedric van Samson – “En daarom moeten we nooit meer een vrouw hebben als president” – was voorspelbaar, zeker in politieke kringen. Constitutioneel zorgelijker is dat DNA-voorzitter Ashwin Adhin de parlementsvergadering voor onbepaalde tijd heeft verdaagd als formele reactie op de commotie die over die uitlating in de vergaderzaal ontstond.

Uitlatingen van parlementariërs die parlementaire immuniteit genieten, verdienen binnen en buiten het parlement in beginsel een ruime bescherming op grond van artikel 54, lid 2, sub e, in samenhang met artikel 19 van de Grondwet. Dat een DNA-lid en de voorzitter uit hoofde van artikel 8, lid 2, en artikel 35, lid 2, van de Grondwet een zwaardere verantwoordelijkheid dragen, laat onverlet dat uitlatingen van een politicus in het publieke debat naar inhoud en vorm als algemeen

internationaal mensenrechtelijk interpretatiekader zelfs “offend, shock or disturb” mogen zijn.

De voorzitter is geen morele scheidsrechter. Zijn taak is het waarborgen van een ordelijk verloop van de parlementaire beraadslagingen. Juist omdat hij boven de partijen behoort te staan, is hij gebonden aan een strikte uitoefening van de bevoegdheden die het Reglement van Orde (RvO) hem toekent. Als voorzitter is het hem niet toegestaan in te grijpen in politieke uitlatingen die een parlementariër buiten de vergaderzaal in de uitoefening van zijn politieke functie doet, ook indien die uitlatingen mogelijk strijdig zijn met de Grondwet.  

Voor de legitimatie van zijn besluit beroept de voorzitter zich op artikel 61 RvO in samenhang met artikel 8, lid 2, en artikel 35, lid 2, van de Grondwet. Artikel 61 RvO verleent hem de bevoegdheid een vergadering te schorsen indien dat noodzakelijk is voor het ordelijk verloop

van de beraadslagingen. Die bevoegdheid is zuiver procedureel van aard: zij strekt ertoe een tijdelijke verstoring van de parlementaire orde te beëindigen, zodat de beraadslagingen kunnen worden voortgezet. Zij strekt er niet toe buiten het parlement gedane uitspraken te toetsen aan artikel 8, lid 2, en artikel 35, lid 2, van de Grondwet en op grond daarvan een ordemaatregel te nemen, ook al is het onderwerp geworden van een politiek debat tijdens de vergadering. Had DNA-lid Samson zijn uitspraak tijdens de beraadslagingen gedaan, dan had de voorzitter hem op grond van de artikelen 42 tot en met 46 RvO tot de orde kunnen roepen. In dit geval behoort een eventuele beoordeling van de rechtmatigheid of strafbaarheid niet tot de wettelijke bevoegdheid van de voorzitter, maar is voorbehouden aan de daartoe bevoegde rechterlijke instanties.  

Trouwens, voor verdaging geldt een afzonderlijke en limitatief geformuleerde regeling. Uit artikel

62 RvO volgt dat de voorzitter uitsluitend tot verdaging kan overgaan wanneer bij een stemming of andere besluitvorming blijkt dat minder dan zesentwintig leden ter vergadering aanwezig zijn. Die voorwaarde deed zich hier niet voor: geen stemming of ander besluit was aan de orde, zodat de wettelijke voorwaarde voor toepassing van artikel 62 RvO ontbrak. Daarmee ontvalt aan de beslissing tot verdaging het juridische fundament. Zelfs indien zou worden aangenomen dat artikel 61 RvO enige beoordelingsruimte biedt, valt moeilijk in te zien waarom een verdaging voor onbepaalde tijd het minst ingrijpende en daarmee evenredige middel was.

Dat de voorzitter zich publiekelijk van de uitlating mocht distantiëren, staat buiten kijf. Als institutioneel vertegenwoordiger van De Nationale Assemblée mocht hij haar afkeuren en de constitutionele waarden van gelijkheid en non-discriminatie benadrukken. Een politieke of morele afkeuring kan echter niet worden omgezet in een procedurele maatregel waarvoor de wet

geen grondslag biedt.

Daarmee is het specialiteitsbeginsel in het geding. Publieke bevoegdheden mogen uitsluitend worden uitgeoefend voor het doel waarvoor zij zijn verleend. Een bevoegdheid die enkel strekt tot handhaving van de parlementaire orde mag niet worden ingezet om afkeuring van een buitenparlementaire uitlating kracht bij te zetten. Gebeurt dat toch, dan is sprake van détournement de pouvoir: het aanwenden van een aan hem toegekende bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor zij is toegekend.

Indien een voorzitter vergaderingen kan verdagen wegens uitlatingen van leden buiten de vergaderzaal zonder dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, dan ontstaat een precedent waarin parlementaire ordebevoegdheden afhankelijk worden van politieke waarderingen. Het voorzitterschap verschuift dan van een neutrale institutionele functie naar een inhoudelijk beoordelend ambt. Dat ondermijnt de rechtszekerheid en verzwakt de institutionele autonomie van De Nationale Assemblée.

De kern van

deze zaak is niet of de uitlating van Van Samson verwerpelijk was, maar of de voorzitter bevoegd was de werkzaamheden van de Nationale Assemblée wegens die uitlating stil te leggen. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Noch artikel 61, noch artikel 62 RvO biedt daarvoor een adequate rechtsgrond. Door een procedurele bevoegdheid aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, komt niet alleen de rechtmatigheid van het besluit in het geding, maar ook het institutionele gezag van het voorzitterschap.

K. (Chinta) Ramdhan

| surinamevandaag | Door: Redactie