
45 jaar Onafhankelijkheid van Suriname: Land of broken dreams
| hindorama.com | Door: Dr. Hans Ramsoedh
Schrijven over vijfenveertig jaar onafhankelijkheid van Suriname [srefidensi] is schrijven over vijfenveertig jaar desillusies en broken dreams. Ik moet ook terugdenken aan het essay/boek van de Surinaamse journalist Rudi Kross (1938-2002) Anders maakt het leven je dood. De dreigende verdwijning van de staat Suriname uit 1987. Dit essay is een scherpzinnige analyse van het verdriet van Suriname waarin hij een hartstochtelijk pleidooi houdt om te zoeken naar wegen die de ongeveer een half miljoen sterke Surinaamse bevolking een kans in de toekomst geven. Kross is briljant in zijn analyse maar zijn oplossingen lopen echter vast in een woordenbrij van wetenschapsfilosofische aard.
Srefidensi is anno 2020 verworden tot een koortsdroom. De vorige maand overleden bekende Surinaamse historicus Eugène Gessel (1919-2020) zei eens dat hoop uitgestelde teleurstelling is. Deze uitspraak van hem is zeer zeker op Suriname van toepassing,
Hoopvolle start
De start bij de onafhankelijkheid op 25 november 1975 leek hoopvol. Als gevolg van de strijd
De start bij de onafhankelijkheid leek vooral hoopvol omdat Suriname een bedrag van € 1.2 miljard (destijds 3.5 miljard Nf) van Nederland meekreeg als afscheidsgeschenk of bruidsschat. Dit afscheidsgeschenk staat in schril contrast tot dat aan buurland Guyana dat van de Engelse regering bij de onafhankelijkheid in 1966 een afgereden brandweerauto als afscheidscadeau kreeg.
Het Nederlandse afscheidsgeschenk was omgerekend ongeveer € 4.000 (of US$ 4.600) per hoofd van de bevolking. Suriname gold in de jaren 1975-1980 dan ook als the rich man of the Caribbean. Landen in de regio keken met jaloezie

Ondertekening onafhankelijkheidsakte door premier Den Uyl en premier Arron in de Hervormde kerk in Paramaribo op 25 november 1975 (Nationaal Archief).
Hoe anders is de situatie vijfenveertig jaar later. In 2020 bedraagt de geschatte totale binnen- en buitenlandse schuld van Suriname meer dan vier miljard USD (€ 3.4 miljard), omgerekend een schuld van ongeveer US$ 6.000 of € 5.100 per hoofd van de bevolking. Eind oktober 2020 werd bekend dat Suriname de rente van US$ 25,4 miljoen van de door de regering-Bouterse gesloten lening bij Oppenheimer van US$ 550 miljoen niet kon voldoen. Bij internationale kredietinstellingen heeft Suriname inmiddels de zogenoemde junkstatus waarbij lenen moeilijk wordt en alleen tegen zeer hoge rente. Het betekent ook dat Suriname te boek is komen te staan als een internationale wanbetaler.
Ondanks de riante

Modeldekolonisatie
Betekent dit dat Suriname slechter af was met de verworven onafhankelijkheid? Velen zullen deze vraag wellicht bevestigend beantwoorden, maar zo simpel is het niet. Er bestaan namelijk geen criteria om vast te stellen wanneer een land wel of niet rijp is voor de onafhankelijkheid. De Nederlandse oud-minister Jan Pronk (Suriname. Van wingewest tot natiestaat 2020; 492) schreef dat er geen afgetekend moment van volwassenheid, ideaal moment, examen of absolute rijpheid bestaat voor landen die streven naar onafhankelijkheid. In het onafhankelijkheidsproces van veel landen is het altijd een (intellectuele) voorhoede geweest die het voortouw hierin heeft genomen en de massa heeft weten te enthousiasmeren voor onafhankelijkheid.
Het linkse kabinet Den Uyl (1973-1977) greep de Surinaamse onafhankelijkheidsverklaring in 1973 met beide handen aan. Het zag de Surinaamse onafhankelijkheid als een ‘must’ voor een zich progressief noemend Nederland. Vanuit het idee van Nederland als gidsland maakten zij van de Surinaamse onafhankelijkheid een Nederlands prestigeobject: een modeldekolonisatie die in de geschiedenis van de dekolonisatie als uniek moest worden beschouwd met als ‘hoogtepunt’ een afscheidsgeschenk om daarmee hun koloniale schuld (slavernijverleden, kolonialisme en koloniale oorlog in Nederlands-Indië) af te lossen.
De Surinaamse politici die voorstanders waren van de onafhankelijkheid wisten dat de progressieven in Nederland heel veel geld over hadden voor de onafhankelijkheid van Suriname. Voor de Surinaamse delegatie die onderhandelde over de
Vanwege de gretigheid waarmee de progressieven in Nederland hebben meegewerkt aan de onafhankelijkheid kunnen we stellen dat feitelijk niet Suriname, maar Nederland onafhankelijk werd op 25 november 1975.

V.l.n.r. Premier Henck Arron, minister Olton van Genderen, prinses Beatrix, gouverneur Johan Ferrier en oppositieleider Jagernath Lachmon bij de viering van de onafhankelijkheid op 25 november 1975 (Nationaal Archief).
Vrije val Suriname
Met de in alle haast gerealiseerde onafhankelijkheid begon ook de vrije val van
De afloop na 1975 is alom bekend: de militaire staatsgreep op 25 februari 1980 en de daarop volgende militaire repressie in de periode 1980-1987 met als dieptepunt de Decembermoorden in 1982, de
Bij de bevolking is inmiddels sprake van ontgoocheling en diepe teleurstelling over de ontwikkelingen na 1975. Illustratief voor de huidige stand van zaken in Suriname is de volgende trieste grap van de columnist Peter de Waard in de Volkskrant (28/10/20): ‘De leiders van de VS, Nederland en Suriname mogen een vraag aan God stellen. President Trump vraagt God: “Wanneer gaat het weer goed met de Amerikaanse economie?” God zegt: “Over vijf jaar”. Trump barst in huilen uit: “Maar dat maak ik niet meer mee”. Premier Rutte vraagt daarop: “En wanneer gaat het goed met de Nederlandse economie?” God zegt: “Hopelijk over tien jaar”. Ook Rutte begint te snikken: “Dan ben ik geen premier meer”. En dan mag president Santokhi dezelfde vraag stellen. Nu barst God in huilen uit: “Dat maak ik zelfs niet meer mee”.’
Het is niet zo dat Suriname met de onafhankelijkheid in het diepe is gegooid. Het
Wingewest Suriname
Veelzeggend in dit verband is de titel van een van de Suriname-boeken van de Nederlandse journalist John Jansen van Galen: Kapotte plantage. Suriname een Hollandse erfenis (1995, 1edruk). Het werd hem in Suriname niet in dank afgenomen dat hij het land bestempelde als een kapotte plantage, een broko pranasi, want een dergelijke kwalificatie van het land door een Nederlander werd beschouwd als aanmatigend. Wie de ontwikkelingen in Suriname na 1975 in ogenschouw neemt, kan onmogelijk volhouden dat Jansen van Galen met zijn kwalificatie overdrijft.
Suriname is in de zeventiende eeuw gesticht als een plantagekolonie en wingewest. Het is sindsdien een wingewest gebleven, dat wil zeggen een land dat voor de politieke elite het vehikel is voor particularistische belangen, graaizucht [nyan patu en zweef teki] en ongebreidelde zelfverrijking. In de ergste traditie van derdewereldlanden

Onafhankelijkheidsviering in 2005
Existentiële politieke crisis
Vertrouwen van de kiezer in politieke leiders en politieke instituties is van eminent belang voor de legitimiteit van een democratisch bestel. Een democratie kan niet functioneren zonder draagvlak, want wanneer burgers op grote schaal ontevreden zijn met het functioneren van de politieke instituties dan komt de legitimiteit van het democratische bestel in het geding. Vertrouwen in politieke leiders en politieke instituties zijn het begin en het einde van een fatsoenlijke samenleving. Beide aspecten bepalen in belangrijke mate ook het economische succes of falen van een land.
Uit diverse opiniepeilingen,
Als daarnaast de politiek van zijn idealisme en ethiek wordt ontdaan, dan prijst zij zichzelf uit de markt. Dit maakt ieder politiek systeem kwetsbaar voor criminalisering van de politiek en politiek avonturisme. De ‘omarming’ van Bouterse door het Surinaamse electoraat in 2010 is illustratief voor deze existentiële crisis waarin de Surinaamse politiek is komen te verkeren. Met Bouterse koos het Surinaamse electoraat voor een president die in Nederland wegens drugshandel was veroordeeld en tegen wie een justitieel proces liep voor zijn rol en aandeel in de Decembermoorden in 1982. Zijn coalitie met Brunswijk en Somohardjo in 2010 was een ‘bizar pact’ omdat de politieke leiding van Suriname in handen kwam

Kunstwerk Kurt Nahar 2015 (Ready Gallery)
Hierbij dient gelijk opgemerkt te worden dat de rol van kiezers bij de heersende politieke cultuur in Suriname niet onbelangrijk is omdat die cultuur slechts kan voortbestaan dankzij hun steun. Generaties lange armoede en uitzichtloosheid hebben een wijdverbreide cultuur van lethargie, het koesteren van slachtofferschap, afhankelijkheid, lijdelijkheid en een gebrek aan verantwoordelijkheid voortgebracht. Hierdoor heeft de bevolking een buitensporige behoefte ontwikkeld aan een weldoende verlosser of gudu pa [weldoener] en een veiligheid biedende macht. Een cultuur van neks no fout [er is niets fout – leuze van Bouterse en zijn NDP] vond dan ook ingang. Bouterse werd de verpersoonlijking van deze cultuur. De oorsprong van
Wo set’en
Chan Santokhi en de VHP wierpen zich bij de afgelopen verkiezingen in mei 2020 op als de redder van Suriname. De belofte was een eind te maken aan tien jaar wanbeleid van de regering-Bouterse. Met de leuze Wo set’en [wij gaan orde op zaken stellen] wist hij een belangrijk deel van het electoraat te overtuigen dat hij weer orde op zaken zal stellen. Dat vertrouwen kreeg echter al

Santokhi op verkiezingscampagne in 2020
De verontwaardiging in de samenleving was dan ook groot over deze benoemingen. Het vertrouwen in de president werd
Veel Surinamers hebben langzamerhand het gevoel na het wegstemmen van de regering-Bouterse te maken hebben met een pur bruku wer bruku-scenario [lood om oud ijzer]. Het Surinaamse politieke bedrijf heeft dan ook veel weg van een toneelvoorstelling die keer op keer wordt herhaald met steeds andere acteurs.
Hoop
Betekent het dat er niets positiefs valt

Ontmoeting van president Ronald Venetiaan en echtgenote met paus
Voorts kan ook worden gewezen op de regeerperiodes van president Venetiaan. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de versterking van de democratische rechtsstaat en macro-economisch herstel in Suriname in de jaren 1991-1996 en 2000-2010, een opmerkelijke prestatie tegen de achtergrond van de failliete boedel die hij in 1991 en 2000 overnam. Venetiaan geldt ook als de politicus ‘met tien schone vingers’, in het corrupte politieke klimaat in Suriname een grote uitzondering. Van hem wordt verteld dat dat hij daags na zijn aftreden als president in 2010 naar het Kabinet van President reed om een pen terug te brengen die hij als staatsbezit beschouwde. Hoe anders was de situatie in juli 2020 toen de nieuw gekozen president Santokhi en zijn ministersploeg werden geconfronteerd met haast leeggedragen kantoren. President Santokhi was onaangenaam verrast toen hij op de eerste werkdag op zijn kabinet ontdekte dat er
Hoopvol is ook het huidig politiek activisme onder Surinaamse jongeren. Hun activisme leidde mede tot de onttroning van Bouterse en plaveide daarmee mede de weg voor de verkiezingswinst van Santokhi en zijn VHP. President Santokhi zal moet beseffen dat het politiek activisme onder jongeren inmiddels een krachtige onderstroom is in de Surinaamse samenleving. Het betekent dan ook dat het kiezersvertrouwen dat hij in mei 2020 kreeg niet onvoorwaardelijk is.
De Nederlandse VVD-minister van Buitenlandse Zaken (Stef Blok) zorgde in juli 2018 voor grote opschudding toen hij Suriname een failed State noemde vanwege de etnische opdeling. De minister etaleerde met zijn opvatting echter een enorm gebrek aan historisch besef. Suriname (en zijn multi-etniciteit) is een creatie van het Nederlandse kolonialisme. Als hij Suriname een failed state noemt dan dient hij te beseffen dat Nederland daar debet aan is. Bovendien is
Rentmeesterschap
Van de regering Santokhi / Brunswijk mag niet worden verwacht dat zij over een magische toverstok beschikt om de door de regering-Bouterse achtergelaten Augiasstal plotsklaps op te ruimen. Wel dat zij een visie heeft over aanpak van de problemen: wat zijn haar drijfveren, waar gelooft zij in, hoe gaat zij het anders doen en welke resultaten verwacht zij van haar plannen? Want zoals een Bijbelcitaat luidt ‘waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk’. In dit verband kan ook worden gewezen op het (christelijk) begrip rentmeesterschap als leidraad voor het politieke handelen. Het verwijst naar het

Minister van Buitenlandse Zaken Albert Ramdin op werkbezoek bij de Nederlandse minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag in augustus 2020.
Nederland en Suriname
In politiek Den Haag werd opgelucht adem gehaald na het vertrek van Bouterse als president. Sinds de militaire staatsgreep in 1980 staat Suriname in ambtelijk Den Haag bekend als het ‘hoofdpijndossier’. De verhoudingen tussen beide landen werden tussen 1975 en 2000 getypeerd als een ‘belaste relatie’ die veroorzaakt werd door onder meer verschillen van inzicht met betrekking tot de besteding van de Nederlandse
Tot slot
Niet de onafhankelijkheid in 1975 is de bron van het huidige verdriet van Suriname maar falend
Foto’s: Nationaal Archief, Ra1 Photography en internet
Uw reactie kunt u HIER naar toe sturen o.v.v. uw naam en het artikel waar u op reageert.
| hindorama.com | Door: Dr. Hans Ramsoedh



































