• dinsdag 16 June 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Column: Wie bestuurt de Van 't Hogerhuysstraat?

Column: Wie bestuurt de Van 't Hogerhuysstraat?

| starnieuws | Door: Redactie

De Van 't Hogerhuysstraat is allang geen weg meer. Het is een troebele spiegel geworden van het land. Een spiegel waarin onze rechtsstaat, ons bestuur, internationale financiering en uiteindelijk ook het vertrouwen van de burger samenkomen. Iedere partij lijkt namelijk gelijk te hebben. En toch verliest iedereen. Of beter gezegd: de samenleving verliest.

De rechter heeft geoordeeld dat de aanbesteding opnieuw moet worden beoordeeld. Dat is geen advies. Dat is een uitspraak van een onafhankelijke rechter. In een democratische rechtsstaat behoort
zo'n uitspraak te worden uitgevoerd. Vanuit dat perspectief heeft Baitali een sterk punt. Een overheid kan niet selectief bepalen welke rechterlijke uitspraken zij wel en niet uitvoert. Anders wordt de rechtsstaat uitgehold.

Maar daar begint juist het dilemma. Want tegenover die rechterlijke uitspraak staat de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), de financier van het project. De bank zegt eveneens iets dat juridisch ergens verdedigbaar is. De aanbesteding is immers niet alleen gebaseerd op Surinaamse wetgeving, maar ook op de contractvoorwaarden waaronder de IDB bereid is ruim twintig miljoen Amerikaanse dollar beschikbaar te stellen. 


Volgens de IDB voldoet de gunning aan haar eigen aanbestedingsregels. Wordt daarvan afgeweken, dan vervalt volgens de bank de financiering. Daarmee ontstaat een ongemakkelijke situatie. De Surinaamse rechter doet uitspraak. De internationale financier zegt vervolgens dat uitvoering van die uitspraak gevolgen heeft voor de financiering. Dat roept een fundamentele vraag op. Wie bepaalt uiteindelijk wat er met de Van 't Hogerhuysstraat gebeurt? De Surinaamse

rechter? De regering? Of de internationale financier?


Minister Stephen Tsang kijkt niet alleen naar de juridische werkelijkheid, maar ook naar de financiële gevolgen. Wanneer de financiering vervalt, dreigt Suriname een investering van meer dan twintig miljoen Amerikaanse dollar mis te lopen. Bovendien kan de reeds geselecteerde aannemer, Kuldipsingh Infra, eveneens schade claimen wanneer de opdracht alsnog wordt ingetrokken. Ook dat risico is reëel.


En daarmee komt nog de belangrijkste partij in beeld. De samenleving. Terwijl overheid, aannemers, juristen, financiers en politici discussiëren over procedures, aanbestedingsregels en rechtsmiddelen, rijdt de gemiddelde Surinamer dagelijks over een weg die steeds verder achteruitgaat. Ondernemers lopen economische schade op. Automobilisten betalen hogere onderhoudskosten. Ambulances verliezen kostbare minuten.

De burgers hebben niets aan juridische gelijkhebbers. Zij willen een veilige weg. Ook de woorden van Assembleelid Ebu Jones moeten tegen deze achtergrond worden geplaatst. Hij stelde dat de samenleving niet gegijzeld mag worden door deze situatie. Dat is een
begrijpelijke politieke uitspraak. Maar de vraag is of de schuld wel bij één partij kan worden gelegd. Is Baitali verantwoordelijk omdat het gebruik maakt van rechtsmiddelen die de wet biedt? Is de overheid verantwoordelijk omdat zij een aanbesteding heeft uitgevoerd die later onderwerp werd van een rechterlijke procedure? Is de IDB verantwoordelijk omdat zij vasthoudt aan internationale aanbestedingsvoorwaarden?

Of ligt de kern van het probleem veel dieper? Misschien toont deze zaak vooral aan dat Suriname steeds vaker zal moeten leren omgaan met een nieuwe werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin nationale rechtsregels, internationale financieringsvoorwaarden en publieke belangen niet altijd naadloos op elkaar aansluiten. Dat zal niet alleen bij wegen gebeuren.


Ook bij toekomstige olie-, gas- en infrastructuurprojecten zullen internationale financiers, multilaterale instellingen en buitenlandse investeerders voorwaarden stellen. Juist daarom verdient deze zaak een bredere discussie. Niet over wie gewonnen heeft. Maar over hoe Suriname voorkomt dat dergelijke conflicten opnieuw ontstaan. Misschien moeten
wij daarom stoppen met de vraag: "Wie heeft gelijk?"

We moeten beginnen met een andere vraag: "Hoe richten wij ons bestuur zo in dat de samenleving nooit meer de dupe wordt van botsende regels, procedures en belangen?" Want uiteindelijk is de Van 't Hogerhuysstraat niet van Baitali. Niet van Kuldipsingh. Niet van de IDB. Ook niet van de regering. Die weg is van de Surinamers. En misschien is dat juist de enige partij die in deze zaak al veel te lang ongelijk krijgt. En intussen heeft de Staat Suriname tot nu toe SRD 918.450 aan verbeurde dwangsommen uitbetaald, terwijl er niet getimmerd wordt aan de weg.  


Nita Ramcharan 

| starnieuws | Door: Redactie